ego echo

Wasverzachter. Een middel waarmee je de verleden tijd minder hard maakt. Het is flauw, maar dat is de werkelijkheid waarmee ik opsta na een korte ochtendcoma. Zodra De Vrouwe het huis in alle vroegte verlaat en ik mij voorneem het slapen te laten voor wat het is – een wantoestand –, spring ik als bij hagelslag van de hoge zo de diepte in. Zie daar dan maar weer uit te komen. Ben je zo een half uur verder in een staat die er niet bepaald uitnodigender op is geworden.

Na een mismoedige zucht en een stevige pijnscheut in mijn onderrug (ook goedemorgen, neem anders een keer een dagje of, doe gek, een minuutje vrij. niet? jammer) wankel ik met een hort en een stoot de keuken in. De koffiepot zal redding brengen. Mijn amper open linkeroog registreert een in onbruik geraakte fles wasverzachter op de wasmachine. En zonder dat ik ook maar even word gewaarschuwd door misschien een vage trilling in mijn brein, wordt dat zinnetje wasverzachter, een middel waarmee je de verleden tijd minder hard maakt door de synapsen ijverig doorgegeven. Wat moet je ermee. Helemaal niks.

Ik kwam later op de dag een mooi en best bruikbaar woord tegen. Zo eentje waarvan ik dan het bestaan ken, maar dat ik vreemd genoeg niet dagelijks gebruik: defaitisme. Het is geleend uit de Franse taal en niemand weet wanneer het weer wordt teruggegeven. Het woord beschrijft eigenlijk precies hoe ik mij dagelijks voel. Soms wat meer, soms wat minder, maar het is altijd latent aanwezig. De bonuskant van dit woord is dat mijn hersentjes met hun nimmer aflatende vlijt – ondanks alles hebben ze er altijd goede zin in – mij een nummer van I Like Trains op een glanzend presenteerblaadje aanbieden. Dat komt dan weer door de openingszin van de tekst: battered and bruised we found our strength lay in defeat. Ik moet glimlachen (oh snobje toch) wanneer ik besef dat het om het nummer Mnemosyne gaat; de Titanide die het geheugen personifieert en volgens de Griekse mythologie de woorden en de taal uitvond. Treffend toch. Laat ik daarom wederom maar het liedje delen, gewoon omdat het de boel wat verlevendigt.

Goed. Over tot politieke actie, tijd om een verkiezingsposter van de Partij voor de Dieren achter het raam te hangen. Opdat wij niet vergeten dat de resultaten uit het verleden een schriele kans op verzachtende pijn hebben. En zo niet, dan plak ik er onwaarschijnlijk liefdevol nog een opbeurend zinnetje uit dezelfde I Like Trains-tekst aan vast: we will burn in hell for this.

#waanvandedag

Pff, tot twee keer toe aan iets begonnen om het vervolgens uit pure onvrede weer te wissen, dus je mist er niks aan. Ik vermoed stiekem dat het ook opgaat voor wat dit brouwsel je zal voorschotelen. Toch, in het kader van een dag niet getypt is een dag niet getikt, zal ik dit dan maar het levenslicht gunnen.

De dag ging voorbij zoals ze steeds voorbij gaan. Marginaal terwijl de uren mij om de oren vliegen. Zo word je wakker en zo gaan de gordijnen alweer bijna dicht. Een miezerig rondje door het park, eindeloos speuren naar deprimerende vacatures, een afwijzing in vijfvoud (op zich vind ik het wat overdreven, de boodschap is al kut, dus volsta gewoon met één bericht). Gelardeerd met wat online huiswerkhulp aan die kleine in het Rotterdamse, boodschappen en berichtjesgekeutel her en der. Nou, oké, van een bericht in het bijzonder werd ik best blij. De controlescan die mijn vader afgelopen dinsdag heeft gehad kwam met goed nieuws. Tenminste, niet dat die scan ineens zo is geëvolueerd dat ie kan praten, maar je snapt. Fijn dus.

De Vrouwe zal zo thuiskomen van een dag fabriekswerk in de boekhandel. Hoe lang dat nog vol te houden is in boekenland, is de grote vraag. Ik las eerder vandaag een nieuwsbericht over de zoveelste noodkreet van de boekhandels en het overkoepelend orgaan (lekker abstract joh). Dat wordt straks in maart tijdens het Boekenbal een feestje zoals ze dat op de Titanic vierden. Die bolle blauwe zal het allemaal worst wezen (vegan graag, dank u).

Boeken, bibliotheek, buurthuis. Alles met de B breekt, zo lijkt het. Al bewaar ik ook goede herinneringen aan de voetbalwedstrijden die ik in Engeland bezocht met goede vriend Ian. Allemaal clubs met een B die we zagen ploeteren – stom toeval, dat ook. Maar leuk was het. Meestal een keer per jaar een weekend dat in het teken stond van voetbal en muziek compleet met fish and chips. We gingen naar krakkemikkige stadions omdat ik daar nu eenmaal een enorm zwak voor heb (Ian zuchtte dan met gevoel voor drama, haalde zijn schouders op en we reden er naartoe) en/of keken voetbal op tv. We bezochten concerten in vage tenten, maakten zelf muziek in zijn huiskamerstudio en we grapten en babbelden wat af. In het recente verleden deed zijn, inmiddels allang hun, fijne huis dienst als logeerplek en uitvalsbasis voor de Engelse tours met MANKES. Wie weet doen we dat op een dag nog eens dunnetjes of heel dik over. Iets om naar uit te kijken.

De avond valt. Weer een kapotte knie. Kusje erop, wrijven helpt niet.

#waanvandedag

Ja, maar luister, iederéén kan het wel. Je moet alleen je hoofd ertoe zetten. Aldus de jogger in spandex outfit. Tijdens het rennen even met je collega's sparren. Heerlijk toch. En nee, geen probleem, ren mij maar zowat ondersteboven terwijl je gelijk even je kekke fitbit checkt. Snap ik toch, de schema's zijn onverbiddelijk, je moet door met je targets, doelen, stippen op de horizontale zeshoekige doos. Uiteindelijk kun je rennen wat je wilt, je weet wie het laatst lacht (en hij sleep de zeis met een vilein lachje).

Natuurlijk floot ik spontaan daarna de traditional Run On (ook wel bekend onder de andere titel god's gonna cut you down) voor mij uit. De ultieme versie vind ik die door onze enige echt Jantje Contant, alias Johnny Cash, is uitgevoerd. Weet je wat, ik deel 'm gewoon. Verder heb ik toch niet heel veel te kwekken. Zien we morgen of daarna wel weer verder.

#waanvandedag #muziek #video #runon #cash

Bij het bouwproject hier op de hoek is er een hijskraan nodig om een hijskraan neer te zetten. Typisch geval van kip of ei. Ik heb met onszelf te doen. Het gehijs en al het gedoe zorgt niet bepaald voor rust. Nu is dat al zo sinds ik hier woon, ook alweer bijna 7 jaar. Op zich geen nieuws dus. Ik heb nu het meest te doen met de bewoners van het verzorgingshuis dat pal naast de bouwput staat. En daar zitten ze zelf ook nog steeds in een flinke verbouwing. Gezellige boel, met je prakkie voor je neus uitkijkend op een bouwvakkersdixie.

Gisteren las ik direct onder elkaar twee nieuwskoppen: – Ruim 690 miljoen mensen hebben honger, Rode Kruis opent gironummer; – Avocadohonger niet te stillen, ruim miljard aan 'groen goud' geïmporteerd. Een schrijnend voorbeeld van hoe er flink wat mis is met het verdelen van voedsel over de wereld. Hier in het westen doen we ons rijkelijk tegoed aan de avocado-overdaad en iets verderop (het globalisme kent tenslotte nauwelijks afstanden) sterven mensen van de honger. En ja, het 'groene goud' is inderdaad erg lekker en ook nog eens voedzaam. Daarom zou ik ze andere mensen ook van harte gunnen. Ik ben daarin niet de enige, dat weet ik ook zeker. Maar toch gaat er dus ergens iets niet goed. Raar. Waar een wil is, is blijkbaar een doodlopende weg.

Een leuke en verrassende gebeurtenis dan. Vanmiddag kwam ik een boekhandelcollega tegen in het park. Ik heb haar al maanden niet gezien. Haar werkuren komen nauwelijks nog uit op 'mijn' zondagochtend, dus ja, dan ben zo een eind verder in de lineaire mensentijd. Gelukkig is zij jaarlijks rond de kerst wel mijn partner in crime wanneer ik een boek voor De Vrouwe via een sneaky route wil bestellen. Dan regelt zij dat voor mij in alle omzichtigheid en in het diepste geheim én pakt het kleinood ook nog eens mooi in. We hebben dus ergens in december per mail nog contact gehad. Maar ja, da's best schraal en kan niet tippen aan het echie. Zij fietste, ik liep met boodschappen. Zij zwaaide, ik keek de mensheid vervloekend (onveranderlijkheid is ook een vorm van stabiliteit) strak voor mij uit. Totdat ik opschrok uit mijn inwendig getier en haar vriendelijke gestalte en lieve koppie ontwaarde in de eeuwige stoet hippe renners en verveelde ouders. Dat was fijn. We hebben kort wat gekletst, want echt praten kun je het niet noemen. Zij op weg naar een afspraak en wij samen op een pad waar het nogal druk en onhandig stilstaan is. Dan gaat een gesprek niet zo makkelijk de diepte in. Komt wel weer eens. Het belangrijkste voor nu was dat we elkaar eindelijk weer eens hadden gezien.

Eenmaal thuis vertelde ik opgetogen over de ontmoeting terwijl ik uithijgde van het en passant naar beneden sjouwen van de laatste spullen die onze buren nog moesten verhuizen. Ik liet mij van mijn beste voorgezette beentje zien. Zo ben ik dan ook weer. Het kan snel gaan. Vorige week hadden we nog buren, deze week zijn ze vertrokken. Het zal hiernaast vreemd rustig zijn de komende weken. Daarna komt er vast weer een hoop gezellige bedrijvigheid voor terug, hoezee.

Zo maak je nog eens wat mee tussen de avocadodip en de avondklokrechtbank in.

#waanvandedag

Ik ben een overtuigd niet-roker. Nooit gerookt, geen trekje. Hoewel, ik heb mezelf nooit hoeven overtuigen, ik heb gewoon nooit enige aandrang gevoeld om zo'n fikkend stokkie in mijn bakkes te steken. Oké, op een extreem korte periode op de middelbare school na.

Daar rookte iedereen en ik wilde daar niet tussen staan in de pauzes. Dan liever alleen. Totdat ik ooit eens dacht (daar bleef het gelukkig bij) dat ik misschien met peuk wel wat aanspraak zou hebben, of op z'n minst een coole houding aan kon nemen. Kansloos natuurlijk. Ik was sowieso al een geval apart in de ogen van de extreem conservatieve leerlingenpopulatie. Met mijn zeephaar, ondergekalkte tas met passages uit songteksten (it doesn't matter if we all die) en broek in mijn legerkisten (broek erover was de norm, dus je begrijpt: ik was heel erg raar). Ofwel, met of zonder sjekkie, ik had geen schijn van kans.

Bijna iedereen kwam uit de streng christelijke dorpen en gehuchten uit de omgeving van Gouda. Elke maandagochtend werd de week in naam van god geopend, waarbij de directeur hoogstpersoonlijk het woord gods vol vuur spuugde vanaf zijn spreekgestoelte. Doorborende blik en met een keiharde nadruk op de ch en daaropvolgende r met dikke s aan het eind wanneer hij het over christus had: ggggrrrristuss. En dat in een volle aula in het gezelschap van de bedwelmende lichaamsgeur en dito ademtocht van een puberende bijbelgordel – ik geef het je te doen.

Het rotsvaste geloof nam soms hilarische vormen aan, zoals de keer dat iemand ervan overtuigd was dat de afstand tussen Gouda en Rotterdam gelijk zou zijn aan de afstand van Gouda tot de maan. De jongen zou het 's avonds in zijn gebed aan god voorleggen, ondanks dat de docent probeerde uit te leggen dat het niet klopte wat mijn klasgenoot beweerde. Want, zei hij, god zou het toch heus wel beter weten. Ach, misschien is hij inmiddels een stevige satanist of een wappende wetenschapper. De lijn is evenredig dun.

Ik vond het trouwens allemaal wel best, zo grotendeels in m'n uppie. Ik was blijkbaar zo ongelooflijk vreemd dat ik met rust werd gelaten. Prima dus. Behalve de keer dat ik met een klasgenoot op het station van Nieuwerkerk vocht. Hij had me al de hele dag lopen stangen en dat ging onverstoord door in de trein naar huis. Ik reageerde daarop niet zoals hij wilde en hij werd steeds bozer, stem hoger tot ie oversloeg en een hoofd rood als een brandend braambos*. Toen we uitstapten probeerde hij mij te tackelen. Dat lukte, maar ik trok hem mee. Eerlijk zullen we alles delen. We vielen allebei op het betonnen perron. Hij werd nog woedender en begon te schreeuwen. Hoe durfde ik hem aan te raken, ik, de goddeloze? Hij begon te duwen en de meppen, maar ik ontweek hem. De stoptrein was inmiddels allang vertrokken en er kwam een doorgaande intercity aan. Hij zag het en probeerde mij van het perron richting rails te duwen. Dat vond ik een slecht idee, dus ik gaf hem met mijn vlakke hand een harde klap in zijn gezicht en trok hem met mijn andere hand aan zijn haren naar achteren: door zijn gemaai en getier verloor hij zowat zijn evenwicht en struikelde achterover richting de Ringvaart onder het station. Het gammele hekwerk hield hem op de been. Hij hijgde, keek mij fel aan en ik beet hem toe een flink eind op te rotten. Wat ie tot mijn verbazing deed. Met dank aan alles dat toeval is, zat ik alle jaren bij hem in de klas en werden we na een lange tijd gedoogpartners. Ofwel, ik negeerde hem en hij mij.

Dit verhaal borrelt schijnbaar als vanzelf omhoog omdat ik mij tijdens mijn dagelijkse wandeling weer eens gezellig ergerde aan al die achteloos weggegooide lege sigarettenpakjes op straat. Voor zover ik weet wordt al het rookspul tegenwoordig in neutrale verpakkingen verkocht, maar dit afval toont nog de meest nare afbeeldingen. Bedoeld om roken te ontmoedigen. Eerlijk gezegd is het vrij logisch dat het hele idee van enge plaatjes averechts werkt. Als je rookt, dan rook je. Maakt niet uit of het slecht is voor je en wat de gevolgen zijn. Of dat het je omgeving schaadt. Het maakt allemaal niets uit. Het is een ongekend wrede verslaving en daarmee simpelweg een van de meest succesvolle marketingcampagnes ooit. Begin je, dan is stoppen een hels karwei.

Wat ik bizar vind, is dat die plaatjes mij misselijk maken en juist wel de stuipen op het lijf jagen. Dus misschien hebben die foto's van geperforeerde longen en rottende tanden toch enig effect: als ik al twijfelde dan weerhouden zij mij ervan te beginnen. Neemt niet weg dat die pakjes zwerfvuil nog altijd een hoop zooi en ellende veroorzaken. Het is stikstof van een heel andere orde. Dank u, tabaksindustrie. Opdat ggggrrrristus u hoogstpersoonlijk negen maal negentig maal (en nog veel erger)* zal kruisigen.

#waanvandedag

*vrij naar Van Kooten en De Bie

Laat ik voor de verandering maar weer een keer mijn gematigde excuses maken (handgemaakt!) aan de e-mailabonnees. In het schrijven van gisteren zaten een paar lelijkheidjes. Niet voor het eerst, dat ook. Daarom nog maar eens de schrale (tr)oostenwind die je doet tranen als een Haags perslekmoment: 9 van de 10 keer staat het op de website wel netjes hoor. Daar verbeter ik boel zodra ik het in de smiezen – en er zin in of tijd voor – heb. Meestal kort nadat de ellende is verzonden. Dus mocht je je net zo storen aan zulke slordigheden als ik: klik op de link boven de tekst en je kunt weer rustig ademhalen.

Vandaag eens geen parkwandeling maar een stevige riedel naar de bieb. Helaas nog niet om te werken; wel om een reservering op te halen. Dat is sympathiek, zo'n afhaalfunctie. En ook enorm omslachtig. Het duur minstens een week voordat je het leesdingetje kan ophalen. Het begint met reserveren, dan een bevestiging krijgen, vervolgens een bericht dat het boek voor je klaarstaat, om dan opnieuw al je gegevens online in te moeten vullen, de juiste boxjes aanvinken, kenbaar maken wanneer je het op kunt komen halen, bevestigen dat het echt allemaal klopt, om uiteindelijk een mailtje te krijgen dat je binnen een paar dagen een mailtje krijgt om op die-en-die tijd je reservering te komen halen. Dat kan vast wel iets eenvoudiger. Maar ja. Gekke tijd en dat soort dingen. Uiteindelijk heb ik er een fijn ommetje door de winterzon voor terug. En een boek. Niet eens voor mezelf, maar voor dochterlief. Oefenexamens Duits en dan een specifieke editie. Dat is dan weer het mooie van de bibliotheek: ze hebben het allemaal. Ik kwam net thuis toen ik twee nieuwe berichten zag om te laten weten dat er nog twee titels klaarstaan. Maar, je raadt het, niet voordat die hele online-invuloefening weer is doorlopen, bevestigen en weer afwachten wanneer dan. Goed. Nog een dag of wat geduld en dan mag dezelfde Rotterdamse schat met haar verplichte leesvoer uit Amsterdam aan de slag. Gelukkig kan ze zich alvast goed voorbereiden met dank aan de uittreksels die – wederom dankzij de bieb – al gedownload en wel op haar laptop staan. Het is een wonder van efficiency en meer van die onzin. Heus, ik vind het allemaal prima. We zijn gewoon verwend.

Een ander wonder is de boom die hier net voorbij de Inloophuis Zeeburg op het kruispunt eenzaam prachtig staat te zijn. Oud en wijs. Zo oud dat de mensjes er twee dikke stalen palen onder hebben gezet om wat vervaarlijk hangende takken (zo dik als stammen, ik zeg je) te ondersteunen. Dat vind ik dan weer lief van de tweevoeter. Het is normaal een route die ik per fiets zou doen en dan zie je de dingen toch anders. Alleen daarom was de ruim anderhalf uur glibberen al de moeite waard. Met als extraatje de stad die letterlijk schittert in de zon, de ijzige wind, botsende ijsschotsen in de havens en grachten en een koet die een nest heeft gebouwd van allerlei zwerfvuil gecombineerd met twijgen en dor blad.

Onze missieloze minister-president overzag vanmiddag de Hofvijver en kreeg traantjes in zijn immer guitige ogen: dit leek toch verdomd wel de 17e eeuw, met al die schaatsers. Maar wel voorzichtig doen mensen. Alleen samen hè, weet je nog? Net als in dezelfde eeuw toen we overal aan landjepik deden. Alleen samen roeiden we ze uit. Een gouden tijd was het. Ach, de weemoed van een gevallen premier. Opdat ie beseft dat het misschien beter zou zijn om per direct zijn fiets te pakken en gelijk een ongeleid galjoen de zee in te fietsen. Een frisse duik. Nee, dan houd je het niet droog.

#waanvandedag

Amai, ik besloot mijn wandelrondje aan te passen om het dan zelfs maar halverwege helemaal af te breken. Het park was overspoeld door schaatsers. Dat klinkt een beetje gek, maar om bij het zowat helemaal dichtgevroren Nieuwe Diep te komen moet je door het park. In het park is ook nog een renbaan met als blakend middelpunt een vijver die inmiddels dienstdoet als ijsbaan. Dus dat deed ook een duit in het zakje poepiedrukke ijspret. Dikke pret voor de ander, maar ik vind dat geheel naar verwachting minder prettig. Mensenmassa's mijd ik als de pest. Of een ander ziektebeeld. Het leek wel een openluchtfestival. Dan is het vreemd dat dit dan wel kan en andere evenementen niet.

Ondertussen sneed ik mijzelf in lichte paniek de pas af met hier en daar toch een opzettelijk glijhupsje – homo ludens. Maar niet alles gleed opzettelijk. Ik wilde uitwijken voor mensen met fietsen aan hun hand op een heel smal pad langs het bevroren water. Precies zoals het bord aan hun kant aangeeft, maar dat gewoon wordt genegeerd – is het pad ongeschikt voor tweerichtingsverkeer. Ik ging onderuit. Nou, niet helemaal, maar toch lullig genoeg om de gehele mensheid (als ik dan toch bezig ben) van boven tot onder te vervloeken.

Een jongen met een skibril en felgele jas maakte daarna veel goed door mij de specht aan te wijzen. Hij stond er al even naar te kijken terwijl ik met mijn kop op onweer aan kwam lopen. Ik hoorde de bovenaannemer volop timmeren, maar zag 'm niet. Toen was die jongen zo aardig om mij exact aan te wijzen waar de klusvogel zich ophield. We keken er lachend naar, maakten een praatje, vroegen ons af of het nu steeds dezelfde specht is en ondertussen vloog ie weg. Ja, de specht, niet die jongen. Al was het voor ons ook een mooie gelegenheid om doei te zeggen.

Even later hoorde ik het beestje weer gezellig timmeren op een boom. Direct gevolgd door nog meer getimmer vanaf een andere kant. Het is dus niet steeds dezelfde specht. Ook weer opgelost. Net als de dag. Lost ook gewoon op waar je bij staat. Als sneeuw voor de zon.

#waanvandedag

Stiekem word ik blij van dit weer. De kou, sneeuw die een tijdje blijft liggen en dan tijdens de sneeuwbui in alle rust om en door het park, langs het water dat langzaamaan begint te bevriezen, riet bedekt met ijspegels. Vogels vliegen af en aan op zoek naar een voertje en de specht timmert onverstoord door. De bomen hebben het koud, hun bast verschrompelt waar je bij staat. Ik zou mijn hand erop willen leggen en de grove lijnen willen volgen met mijn vingers. Maar dat is erg onpraktisch. Voor ik het weet vriest het zwikkie aan elkaar vast. Daarbij, mijn sociale schaamte belet mij dit soort boomknuffelarij. Misschien maar beter ook (voor wie eigenlijk?).

Opvallend toch dat het gemotoriseerd verkeer als eerste zoveel en zo snel mogelijk ruim baan krijgt. Miljoenen kilo's strooizout die niet zonder gevolgen blijven (bijvoorbeeld de bomen: ze hebben het niet alleen koud, zoals een poëtische oprisping dat graag wil interpreteren, maar hun bast wordt aangetast door het zout, ze drogen uit) gaan er binnen een paar uur doorheen. Opdat de heilige koe kan blijven rijden.

De rebel in mij vindt dat genoeg reden om met mijn tas boodschappen op het midden van de weg te gaan lopen. Uitglijden met kostbaar eten doe ik liever niet, en kijk, hier kun je prima lopen. Niks glad, niks sneeuw. Een auto achter mij toetert. Ik vertik het, ik ga niet opzij. Deze voetganger heeft net zoveel recht op een milieuverziekend stroef stuk weg. De automobilist toetert nog eens. Dikke doei. Stap maar uit, dan vertel ik je waarom. Maar dat doet ie niet. Wanneer ik afsla, het park in, hoor ik de toeter nog een keer. Punt gemaakt hoor. En ik ook, heel tevreden met mezelf. Ik steek ter afscheid de welbekende vinger op, maar dat slaat nergens op, zeker niet met dikke wanten aan. Ik lach om mijn eigen geklooi en speur ondertussen met mijn oren naar het gezelschap van tsjilpende vogels.

Toch, sinds ik het boek Het recht van de snelste heb gelezen, kijk ik met heel andere ogen naar het verkeer. Er wordt ons van kleins af aan van alles ingeprent, het lijkt ook allemaal heel vanzelfsprekend: verkeer = gevaar, pas op! Uitkijken met oversteken, opzij gaan voor auto's, snelverkeer moet voor en vooral dóór. Maar zo logisch is dat helemaal niet. Hierbij dus de hartelijke aanbeveling het boek ook te lezen. Je mag het zo van me lenen.

Over frisse blik gesproken, de avond staat voor de deur. Even opendoen.

#waanvandedag

Na goed overleg met mezelf heb ik besloten om deze namiddag dan toch maar binnen te blijven en geen parkwandeling te maken. Het was vanochtend en begin van de middag al avontuurlijk genoeg op de fiets. Eerst naar de boekhandel, daarna naar huis via de bijna lege buurtsuper (ja, toch nog nog een paar vergeten boodschappen).

Het was met de tweewieler een kwestie van gematigd vaart houden, losjes tegensturen en vooral niet remmen, want dan ga je geheid op je snufferd. Dan is het zelfs te doen om sneeuwbalvechters en rucksigloos sleegepeupel te ontwijken. Zul je zien dat ik ergens deze week alsnog dik onderuit ga, maar hé, dan heeft het niet aan mijn uitmuntende stuurkunsten gelegen. Gewoon pech.

Als het morgen niet al te onmogelijk blijkt, dan zal ik mij door de marktverwerkende NS naar Rotterdam laten rijden. Dat wordt ongetwijfeld lachen met tuitende tranen. Wil je weten waarom het OV en de spoorwegen in het bijzonder tegenwoordig bij elke tegenslag volledig op z'n gat ligt? Lees dan Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u (Sander Heijne, De Correspondent). Veel duidelijker wordt het falen van de privatisering nergens beschreven, vermoed ik. Zowat alles wat door de staat uit handen is gegeven, is jammerlijk en pijnlijk naar de knoppen gegaan. Behalve de mobiele telefoonmarkt. Dat ging zowaar behoorlijk goed. Maar verder? Zorg, onderwijs, energie, kinderopvang, post en spoor. Allemaal mislukt op alle vlakken. Toegeven zou ruiterlijk zijn. Terugdraaien nog heel veel beter. Dat kan namelijk ook best. Wederom: doe er je voordeel mee wanneer je straks in het stemhokje staat.

Dat allemaal geheel terzijde hoor. Terwijl ik dit typ wordt namelijk de laatste hand gelegd aan de verse video van ons aller MANKES. Zoals we dat dan doen. De Vrouwe verzamelt beelden, knipt, plakt, klikt en zucht. Knutselt de boel aan elkaar, kijkt kritisch, stort ergens in het proces in een persoonlijkheidscrisis, krabbelt weer op om uiteindelijk, ondanks al mijn gezever en commentaar – ho, wacht: altijd opbouwend! – weer een juweelderige video te hebben gebouwd waar we allebei gepast trots op zijn. Zoals ik eerder al schreef, binnenkort online te bewonderen.

En zo glibberen we de avond in. We hebben mazzel, we zitten er warmpjes bij.

#waanvandedag #muziek #beeld #boek

Boodschappen doen voor amper zeven euro, dat is best bescheiden en niet te vergelijken met de vol geplempte karren om mij heen. Het ging mij dan ook om het hoognodige – morgen of overmorgen weer een rondje langs de dan weer, hopelijk, gevulde schappen.

De blinde paniek is weer eens toegeslagen onder de bevolking die nog nauwelijks incasseringsvermogen lijkt te hebben. Ik maak mij druk om de komende generatie die vooral geen geduld heeft, alles moet nu en sneller nog, nee is nooit een optie. Maar zij zijn slechts het resultaat van hun ouders. Die accepteren geen enkele tegenslag, alles zal en moet en zo niet dan toch. Jammer. Veel gezelliger wordt het er niet van. Stampvoetende kleuters van alle leeftijden.

Opvallend sfeertje dus in de buurtsuper. Opgefokte klanten en ontspannen personeel. Mij werd vriendelijk lachend (dat zie je ondanks een mondneusvodje toch heus, als iemand naar je lacht) een mooi weekend gewenst door de kassamedewerker. Ik wenste het terug, pakte de paar boodschappen in terwijl iemand hijgend in mijn nek – afstand houden is namelijk óók heel erg 2020 – alvast mijn karretje claimde.

Mandjes op, karretjes op. Ja joh, code rood. Het is me wat. Ik hoop maar dat we het overleven, deze barre tijd. Een dagje sneeuw, een weekje onder nul. Misschien, heel misschien is de paniek toch een ietsje overdreven. Misschien hoor. Maar wie ben ik? Hooguit een gammele verschrikkelijke sneeuwman, want met de verwachte sneeuw is het niet te doen; het plakt niet en dan kun je geen sneeuwpop maken. En ook geen sneeuwballen. Dat kan er ook nog wel bij. Of, zoals iemand zei in het voorbijgaan, nu pakken ze ons dat ook nog af.

Vliegtuigen razen alweer de hele dag laag over ons hoofd en ik wens dat ze neerstorten. Zo sympathiek ben ik. Ze verstoren de wonderlijke roep van de vogel die ergens op de begraafplaats hoog in een boom de boel uitfloot. Het klonk als een uiterst vriendelijke mitrailleur. Als ik dan toch moet sterven door natuurgeweld, dan maar zo. Mezelf doodlachen kan ook. Ik zag op dezelfde begraafplaats ergens in het midden een eenzaam bord in het vale gras: honden mogen hier niet kakken. Snap ik best. Bemesten is daar nogal zinloos.

Nou mensen, sterkte voor de komende dagen. Opdat we elkaar ooit weer zien. Ik kruip alvast in het vriesvakje, gek als ik ben op ijspegels aan mijn grote neus.

#waanvandedag

Enter your email to subscribe to updates.