ego echo

proza

Het is een gigantisch gevaarte. De vis, kleurrijk en sierlijk. Ze lijkt licht te geven, de zee is helder en fris. Ik ben de vis, ik ben de vis niet. Ik ben een onbeduidend onderdeel van het grote geheel, ik ben het grote geheel en even onbeduidend.

Over de bodem van de zee loopt een brede, kale strook. Steen, rots, basalt. De aardkorst is koel, glad met ingesleten patronen. Ik leg mijn gezicht er voorzichtig tegenaan. Alles komt tot rust, een troostende kus.

De vis gaat verder zonder mij, met mij. Ik blijf achter in gedachten, ik ga voor en tegen de stroom in. Laat mij meevoeren, afdwalen, afdalen en weer omhoog. Dit is mijn land, mijn hand is dit zand, mijn lichaam dit water, deze zee.

In het oosten wordt het donker licht.

#proza #gedicht

De slaapwandelaar met uitgelopen mascara wentelde zich om en om en om in het lauwwarme bad dat nauwelijks licht doorliet terwijl de radio met lekkende batterijen op de rand gezeten een vonkende kreet uitstootte.

Het touw trok strakker en strakker om zijn nek en happend naar adem waren daar de kleuren weer – rood, blauw en groen met smeltende bergtoppen als glibberende vingers langs het beschimmelde douchegordijn.

Drie weken lang schraapte hij met brokkelige nagels het sediment dat zich in onvoorstelbaar tempo langs zijn lichaam ophoopte om niet op te gaan in de langzaam oplossende granieten vloer.

Stralen chemisch gereinigd water, stalen buizen en houten paleizen stroomden in de regenschaduw weg. De rat zat in de val, de zelfgegraven kuil die maar geen rust wilde geven en onvermijdelijk als een neerwaartse spiraal in het open riool zou verdwijnen.

Hij wandelde en sliep, hij droomde een leven weg van boze uren, kale muren en buren die zijn hartkamers verhuurden aan rampzalige toeristen die het ook wel eens van dichtbij wilden zien.

Hij wandelde zonder te weten, zonder op of om te kijken en botste tegen een boom begroeid met duintoppen mos en vrij zicht op een glinsterend meer in een uitgeput tranendal. Hier kon hij zitten en wachten, luisteren en vallen tot het opstaan als vanzelf niet meer ging.

#gedicht #proza

Aan de overkant van het kruispunt zit een kraai op de klok die de stad wijst waarheen zij vliegt.

Van bovenaf gezien zijn het gedesoriënteerde mieren in en om een hoop, aderen die gelaten stromen, rivieren vol plastic die de bodem doen dalen.

Het zand zal inklinken, het geluid van brekende golven die het land slag na slag weg zullen spoelen. Als water naar de zee gedragen stemmen die monotoon de goden aanroepen.

Deus ex machina, grijp deze raderen bij de strot en knijp alle lucht eruit, laat ze stikken, laat ze beven, laat ze liggen, laat ze rotten in hun jammerklacht.

De kraai houdt de vleugels lam, telt de kralen, speelt verbazing als twee zwarte strepen over elkaar vallen en er twaalf keer wordt geslagen. Weg is ze.

#gedicht #proza

Het was dan altijd de dag daarna dat we Het IJs der Tijden vierden. Al werd dat in sommige regio's om onverklaarbare redenen ook wel Het Hoofbrekens van de Heilige Hagelslag genoemd – soms zelfs oneerbiedig verbasterd tot HaHaHaHa. Maar hier, in onze habitat, deden we niet zo flauw en gemakzuchtig. Hier betekende het echt nog iets.

We dansten al in de vroege ochtend op een woonboot tot het schommelen zo hevig werd dat ze het in Noorwegen in hun broek deden. Hou op! riepen ze dan. Maar dat hoorden wij niet. Ja, pas veel later als de wind onze kant op stond.

De kunst was om tussen de stralende korrels wit al die felle kleuren te zien. Paars, blauw, geel. De bloemen die nog maar net hun knoppen hadden omgedraaid en de vogels die na een bui laag bij de grond bleven op zoek naar wormen.

Wanneer de dag dan voorbij was en het schemeruur al ver achter ons, dan mochten we elkaar in de armen vallen en de mooiste wensen toefluisteren. Het waren intensieve dagen, maar je kon er weer mee voort tot een volgende keer, als alles gewoon opnieuw begon alsof we nooit hadden bestaan.

#proza

Er liep een sneeuwpop door het park, zo door naar de supermarkt. Deed er een paar boodschappen en liep via het park weer terug, dacht ie. Maar nee, hij smolt na amper vijf meter lopen zo op de ingeklonken parkeerplaats tussen omgewaaide fietsen en waaibomenhout in de nonchalante aprilzon die even daarvoor nog achter een dik wolkendek al beter had geweten.

Zo ging dat in die tijd. Je wist gewoon niet wat je kon verwachten. Het weer was het weer en daar moest je het mee doen. Voorspellingen waren nog geen knip voor de neus waard en de digitale munt bestond allang niet meer. Die had plaats gemaakt voor krekels op sterk water, per pot. Bij elke transactie een certificaat van twijfelachtigheid, dubbel gecheckt door deze en gene. En ja, soms werd de boel van de andere zijde bekeken, compleet met een slagschaduw die dan zo mooi en met een luide bulder over de bomen en langs de muur van de begraafplaats viel.

Op straat ligt een geschoten wortel en verderop een vergulde knoop. Alles om de zoveel stappen in brons gegoten. En kijk, dat moet haast wel de rand van een versleten zwarte hoed zijn.

#proza

De ballon neemt een aanloop en springt, klapt uit elkaar. Hij dacht te kunnen zweven.

De grond wordt onder de voet gelopen, het is alleen daar om er op ooghoogte naar te kijken, te staren en niet in te grijpen.

Elk trilling is hier en verscheurt langzaam maar zeker de niet waarneembare stilte. Tot het aanzwellen stopt en explodeert. Lucht en licht.

Het is alleen maar angst. Eentje die alles lam legt, die daar alle tijd voor neemt. Achteloos een deuntje fluit, een liedje neuriet.

Waar gaat de rit heen, vraagt de chauffeur. Ik knik zonder oogcontact te maken naar een punt in de verte. Daarheen graag en het mag een verraderlijk fortuin kosten.

Uit het raam zie ik een plastic tas in een boom die zich vult met de wind. De tak is broos en breekt af.

#gedicht #proza

Bulderend slaat de rietkraag om met aan de horizon een meeuw uit het ruim geschoten, geslagen lucht waar zerken dwarrelen dwarrelen dwarrelen

Adem neemt, adem geeft niet toe

En ik ik vlieg met gekapte mond en natte wangen het winkelwagentje met zwabberende zwenkwielen in

Stenen hagelen en het licht stopt, hier kruisen de wegen nog ouderwets gewichtloos in het donker

Flits hier sta ik onverschrokken op

#proza #gedicht

De zwerver kijkt om een hoekje. Het washok is warm en de muziek van de woning ernaast bezweert alle pijn. Hier kan hij liggen tussen vuile lakens. De diepe slaap die niet ontwaakt.

Het moederland baart zorgenkinderen. Eilanden, kolonies en onbekende ziektes. Het schip moet zinken, maar alleen, verlaten en in de verte. Uitgeroeid.

Het vaderland wordt hersenloos aanbeden bij iedere stap, de parade voor het lamgeslagen volk. Uit volle borst, hard en vals gezongen, het is de overtuiging die telt. Speeksel vliegt in het rond en tanks, raketten en bommen zullen de denkbeeldige vijand verslaan. Ooit.

Geboorteland. Waar gedachten vrij komen en gaan. Er is geen hemel zonder aarde, geen ster zonder licht. Er is niets van alles. Geen waarheid, geen geloof, geen mededogen.

De valwind blaast uiteindelijk de heilige huizen omver. Eindelijk frisse lucht. De deur gaat open en de centrifuge raast. Wat doe jij hier?

#proza #gedicht

Onder de trap aan het einde van de gang is een kast. In de kast ligt een plank. Op de plank ligt een laag stof. In het stof staat de tijd verstreken.

Er valt licht door het bovenraam. Pupillen vernauwen. Een hartslag ligt verslagen in een hoek op de grond.

Dit hok is iemands huis, iemands thuis, iemands leven, iemands vogelvlucht; het slot hangt los, gebroken verleden.

Voeten stappen, hinken springen. Ik ben hier nooit geweest.

#proza #gedicht

De boomstammen zijn zwart, doorweekt. Vogels zwemmen door de lucht. Het blad druipt in een dichte mist. De adem tocht, kraag omhoog en het omlooptempo nog wat hoger. Warm worden, warm blijven en niet omkijken. Nooit omkijken.

Laten we het omdraaien.

Wortels schimmelen voor de eenzame maan die kraters van verlichting zucht. Vissen vliegen met opengesperde mond, bubbels plastic ontnemen het zicht, nemen alles in. Het leven ebt weg, een laatste hap lucht.

Laten we de andere kant bekijken.

De schaduwzijde van de zon. Vlammen spuwen vonken, vonken regenen en blussen de aangewakkerde zee. Bomen knetteren, zuigen zich vol zout, schreeuwen het uit van de pijn. Lossen asgrauw op in rook.

Het is wachten op de stilte, het is wachten op de oorverdovende stilte. Tot de ster implodeert, haar massa oneindig dicht.

Ik ben minder dan een stip. Ik ben minder dan een vezel. Ik ben minder dan een schim, een flits, een oogwenk.

Nee, ik ben meer dan dit. Ik ben alles. Ik ben niets. Ik ben meer dan ooit.

#proza