ego echo

proza

Ik schreeuwde het uit, nee, ik brulde, ik ontplofte zowat van woede. De frustratie, de onmacht, de woede en de wanhoop. Mijn dochter leek het vooral übergênant te vinden en bekeek het tafereel onderkoeld van een klein afstandje. Totdat ze door twee douaniers bij haar armen werd gepakt en weggetrokken. Ze keek om, naar mij en ze huilde zonder tranen, geluidloos. Godverdomme! Ze werd mij gewoon afgenomen en ergens naartoe gebracht waarvan ik, en zij, geen idee hadden waarheen! Alleen maar omdat het briefje met daarop de toestemming van haar moeder dat ik met haar naar het buitenland mocht reizen niet werd vertrouwd. Oké, het zag er ook niet heel mooi uit, niet erg officieel. Het was met de hand geschreven met bovenaan nog een extra velletje, half gescheurd en vastgeniet. Ik had het officiële rijksdocument wel, maar wist niet meer waar. Ergens online, in de cloud, maar welke? En de wolken dreven steeds weer weg als ik ze van dichtbij wilde bekijken.

Later, met jou, in de loeihete stad met haar kleine, smalle straten met vrolijk uitziende winkels, keek ik steeds weer omhoog. De lucht strakblauw, doorkruist met vliegtuigen en witte zeppelins in de vorm van bommen. Ik zag het allemaal gebeuren: de ene botste op de andere, een enorme ontploffing en ook al wilde ik wegrennen, het ging niet. Als een konijn gevangen in de koplampen moest ik blijven kijken. Tegelijk verwonderde ik me over de kalmte van de mensen hier in de straten. Ze keken wel even omhoog, haalden hun schouders op en liepen door terwijl er een regen van witte stofkorrels op de stad neerdaalde. Gif, ik wist het zeker. Maar niemand raakte in paniek. De gelatenheid was verstikkend en ik begon weer te schreeuwen, te roepen en om me heen te slaan, steeds wilder en harder schreeuwend terwijl mijn keel verschroeide en mijn tong dikker en droger werd.

En toen, daarna, was er niets. Niets dan ijle, schrale lucht.

#dromen #proza #nacht

De herfst valt als het blad van het boek dat ritselend omslaat op de zitting van het gammele bankje in het park middenin de stad waar de eenzaamheid zucht onder het onverschrokken bewind van roestend staal en rottend beton. Zij huilt tegen de boom en de tak breekt onder haar vedergewicht.

#gedicht #proza

In ons huis passen geen huisdieren. Toch staan er hier recht tegenover mij in de kast al drie. Ze leven niet, leefden nooit. Maar brengen wel een beetje levendigheid in ons huis. Niet dat wij hier een als doods stelletje maar wat rondhangen, no worries. Het gaat er met grote regelmaat stevig aan toe. Ook dat is liefde.

De dieren in dit huis laten ons lekker onze gang gaan. Wij zijn hun levende huisdieren. Zij hebben ons nodig om gezien te worden, dus het levert ze wat op. Schildpadden, katers, een egel, kraanvogels, uilen, vlinders en vissen. Ja, ik denk, ik noem er maar een paar, dan heb je tenminste een idee.

Ze komen uit alle windstreken. Beeldjes, knuffels, meubelversieringen en vooral kaarten. Na bijna ieder museumbezoek kopen we als aandenken een paar ansichtkaarten. Kunstkaarten. Of een poster als we echt een gekke bui hebben. En verdomd als het niet waar is, vaak staan er dieren op. We worden nu eenmaal blij van onze mede-aardbewoners. Of we raken volledig in paniek van ze, dat kan ook. Soms willen de spinnen, muizen, fruitvliegjes en zilvervisjes ook wat levenslustige aandacht. Feitelijk zijn zij ook huisdieren. Opdat wij niet vergeten.

Het is eigenlijk maar goed dat we klein behuisd zijn. Dan houd je tenminste aandacht voor je omgeving. Je gelooft het niet, maar de egel, de kat en de schildpad hier tegenover mij op de plank in de kast knikken instemmend. Mooi toch. Oké, dan ga ik nu even een verdwaalde wesp de uitgang wijzen.

#proza #waanvandedag #kunst #huisdieren

Hij liep dagenlang met voeten van stro. De weg was water, golvend, soms beukend. En toch, de droogte verdorde zijn stem. Niemand hoorde hem toen hij viel, zijn tong verschrompeld tussen zijn verbrokkelde tanden; zijn handen braken in zijn val.

De zon scheen nog jaren. De regen goot gestaag. De wind verjaagde zijn laatste haren. Het glinsterend dode blad beschreven met vingerverf.

Hier is het. Hier gebeurde het. Toen. Weet je nog? Hé? Kijk mij eens aan. Lach maar door je tranen heen. Daglicht door de kier van het gordijn, zie je wel?

Laten we heel even stil zijn en luisteren. Een minuutje. Hier, bij deze oude reus met zijn wortels zo diep dat je er geen hand voor ogen ziet. Weet je, misschien moeten we gewoon gaan graven en dan maar zien waar we uitkomen.

#proza

Versteend staar ik naar de muur met grof ingemetselde keien. Als een konijn gevangen in de koplampen van de auto op volle snelheid. Haarspeldbochten laten de banden gieren, de lucht van verbrand rubber en een flits van steekvlamverlichte draaimolens op een foute dorpskermis. Oorverscheurende salvo's schaterlach met tanden als zaagbladen van de afgebladderde nog net niet failliete doe-het-zelver op de hoek.

Verwarring is een staat van beleg. Onwrikbaar ingemetseld in een sociale houdbaarheidsgreep. De datum is verlopen, de make-up biggelt over de richels van het uitgewoonde gezicht en druppelt zwarte gaten op het zonverrookte terras. Ik hef nog maar eens aan, lal mijn laatste lied. Ten onder, ten onder, voorwaar ten onder en kijk met volgelopen ogen voor wie niet ziet.

#proza #gedicht

Ieder stuk dat ik schrijf komt dichter bij het laatste wat ik ooit de wereld in zal slingeren. Ieder stuk is een meesterwerk, behalve wanneer na een seconde of wat – de periode na de aderlating, wanneer het bloed weer langzaam naar de hersenen stroomt – de realiteit zich weer aandient. Zonder aanzien des persoons. Dat moet je de werkelijkheid nageven; iedereen is gelijk voor haar. Het verschil zit 'm in het perspectief.

Klinkt als een staaltje waanzin, nietwaar? Dit, wat u tot nu toe heeft gelezen? Het raakt ogenschijnlijk kant noch wal. Ik geef toe dat het nogal warrig aandoet. Al is het voor mij zo duidelijk als wat. Maar ja, mijn geest is een feest van herkenning voor mij, de spookgedaante die wisselt van houding, entiteit en invalshoek dat het een lieve lust is.

Lust. Ooit was er een tuin. Zeggen ze. Die tuin die nu net zo ver in de geschiedenis ligt als de toekomst nabij is. Het is een kwestie van kijken, een zaak van zien. Er staat een hek om de tuin en we hebben haar met ons volle verstand verwaarloosd. Het groen is dorgeel, de bomen zijn dood, kadavers rotten in de zon en zullen uiteindelijk verdampen. Mestoverschot aqua terra.

Mijn tijd zal het duren. Ik kan wel blijven roepen in deze perverse woestenij die wij leven noemen. Maar nee. Ik ben het beu. Ik ben moe tot op het bot. Alles schrijnt, alles schuurt, alles scheurt, alles brandt, alles steekt en alles tintelt en alles zeurt. Dit ben ik. Een karkas met een ontheemde ziel, met lede ogen, vol verdriet en ontstoken woede. De pijn laat zich niet verzachten, de slaap was nooit mijn vriend. Dit is mijn tijd, mijn vurig verlangen naar dat wat nooit is – hier sterft een meesterwerk.

#proza

Buiten was het ruim veertig graden onder nul, maar het deed mij niets. Ik droeg mijn lange jas, gevoerd met levende bijen. Zij gonsden suf langs mijn ruggenmerg, hommelden over mijn armen, donsden langs mijn heupen, gapend rollend over mijn bovenbenen. Ik wist niet beter.

Totdat ik werd gestoken door verdriet. In mijn hart scheurden de herinneringen vlijmscherp de aderige vleugels. Ik bloedde dode wespen, zij vielen angelloos tussen de afgebrokkelde randen van stoeptegels, plakten aan het bevroren asfalt en keken mij glazig na.

De vulkaan barstte. Ik moest weg. Weg van hier. Sneller nog dan mijn ademwolk die als kansloze stoom tot as verging. Het vuur laaide in mij, ik raasde, ik woedde, ik smolt in de armen van de zwarte weduwe die mij hartstochtelijk huilend tot zich nam.

Ik zat er warmpjes bij, hier binnen. Badend tussen de klamme lappen waar het hout smeulde, heulde met de vijand; kokend water, kolkend water, koolzuurhoudend water. De bubbel moest een keer barsten.

#proza #gedicht

Wij, van Stichting Brand, hebben inmiddels verscheidene klachten ontvangen over vermeende overlast in en rondom diverse postcode- dan wel landgebieden.

Wij ervaren deze klachten als onjuist en bestrijden hierbij te vuur en te paard en benadrukken voor de volledigheid met klem in dubbele ontkenning dat wij niets, maar dan ook niets met enige vorm van brandstichting te maken hebben.

Wij hopen vurig u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en aldus verblijven wij met waterige oogjes,

Met gedoofde groet,

Hildebrand Vlam

Vonk en Regen juridisch adviseurs alsmede belangenbehartigers namens en inzake blabla en hopsasa geregistreerd onder KvK-nummer zero-tolerance waarvan akte Stichting Brand

#brief #brandstichting #proza #waanvandedag

De schrijver zat bij de kapper en zag in de spiegel hoe zijn hoofdpersoon werd geknipt voor de rol. Licht in zijn hoofd van het zuchten en de praatjes over het weer, de aanstaande vakantie en de volle stempelkaart, maar toch vooral in zijn nopjes van de vooralsnog uitblijvende kaalslag, gaf hij met een genereuze zwaai het briefje van twintig aan de vrouw die steeds opnieuw een geheel nieuwe betekenis gaf aan de dubbele schaar; ja, hij was dol op haar. Een paar minuten lopen naar huis en dan direct de douche in. Desondanks zou de jeukende nek de hele dag duren. De kleine haartjes, hè?

#waanvandedag #proza #kapper

Er was een tijd waarin rekeningen voor nageslacht zorgden. Dan wist je niet beter of je ouders waren rekeningen. Soms vereffend, soms openstaand. De gezamenlijke rekening bestond toen nog niet. Meestal wist je niet eens wat voor soort rekening je ouders waren, daar werd niet tot nauwelijks over gesproken. Je hoorde bij vriendjes of vriendinnetjes thuis wel eens het woord nota. Pas later leerde je dat het gewoon een ander woord was voor rekening, een synoniem. Maar dat woord kende je toen nog helemaal niet, synoniem. Bij deze kinderen voelde je je trouwens nooit echt op je gemak. Ze hadden het over wat je onder de streep overhield en keken je vragend aan als jij het over geknoopte eindjes had.

Tegenwoordig zijn kinderen van de rekening nagenoeg uitgestorven. Ze worden boete genoemd. Lekker kort. Passend in de flitscultuur van nu.

#proza