ego echo

gedicht

Mijn vingers zijn de kale takken van een stervende boom. Mijn romp de stam, mijn voeten ontworteld. Mijn aders de nerven, mijn kruin het dak dat waterig nog wat zon opvangt.

Zo schuif ik door het stervende park dat in deze tijd van het jaar misschien wel op haar mooist is; wanneer het leven zich ingraaft, de paden modderig, bedekt met alles wat als vanzelf loslaat.

Nog even en het donker is nog sneller dan het licht. Mijn ogen zullen wennen aan het duister, zoals mijn geest zich steeds weer aanpast aan de tred van de andere ik die dag in dag uit met mij mee sjokt.

Kijk, de wolken jagen hun wilde buien na. Scherven vallen uit de lucht en spiegelen hun geluk in stampende plassen en zompige sloten.

De wilg laat haar schouders zakken en treurt in mijn voorbijgaan.

#proza #gedicht

Het is een gigantisch gevaarte. De vis, kleurrijk en sierlijk. Ze lijkt licht te geven, de zee is helder en fris. Ik ben de vis, ik ben de vis niet. Ik ben een onbeduidend onderdeel van het grote geheel, ik ben het grote geheel en even onbeduidend.

Over de bodem van de zee loopt een brede, kale strook. Steen, rots, basalt. De aardkorst is koel, glad met ingesleten patronen. Ik leg mijn gezicht er voorzichtig tegenaan. Alles komt tot rust, een troostende kus.

De vis gaat verder zonder mij, met mij. Ik blijf achter in gedachten, ik ga voor en tegen de stroom in. Laat mij meevoeren, afdwalen, afdalen en weer omhoog. Dit is mijn land, mijn hand is dit zand, mijn lichaam dit water, deze zee.

In het oosten wordt het donker licht.

#proza #gedicht

Bij de ingang van de grot hing een vleermuis op zijn kop

Maar met een lepel voor zijn neus stond ie toch maar mooi rechtop.

#gedicht

De slaapwandelaar met uitgelopen mascara wentelde zich om en om en om in het lauwwarme bad dat nauwelijks licht doorliet terwijl de radio met lekkende batterijen op de rand gezeten een vonkende kreet uitstootte.

Het touw trok strakker en strakker om zijn nek en happend naar adem waren daar de kleuren weer – rood, blauw en groen met smeltende bergtoppen als glibberende vingers langs het beschimmelde douchegordijn.

Drie weken lang schraapte hij met brokkelige nagels het sediment dat zich in onvoorstelbaar tempo langs zijn lichaam ophoopte om niet op te gaan in de langzaam oplossende granieten vloer.

Stralen chemisch gereinigd water, stalen buizen en houten paleizen stroomden in de regenschaduw weg. De rat zat in de val, de zelfgegraven kuil die maar geen rust wilde geven en onvermijdelijk als een neerwaartse spiraal in het open riool zou verdwijnen.

Hij wandelde en sliep, hij droomde een leven weg van boze uren, kale muren en buren die zijn hartkamers verhuurden aan rampzalige toeristen die het ook wel eens van dichtbij wilden zien.

Hij wandelde zonder te weten, zonder op of om te kijken en botste tegen een boom begroeid met duintoppen mos en vrij zicht op een glinsterend meer in een uitgeput tranendal. Hier kon hij zitten en wachten, luisteren en vallen tot het opstaan als vanzelf niet meer ging.

#gedicht #proza

Aan de overkant van het kruispunt zit een kraai op de klok die de stad wijst waarheen zij vliegt.

Van bovenaf gezien zijn het gedesoriënteerde mieren in en om een hoop, aderen die gelaten stromen, rivieren vol plastic die de bodem doen dalen.

Het zand zal inklinken, het geluid van brekende golven die het land slag na slag weg zullen spoelen. Als water naar de zee gedragen stemmen die monotoon de goden aanroepen.

Deus ex machina, grijp deze raderen bij de strot en knijp alle lucht eruit, laat ze stikken, laat ze beven, laat ze liggen, laat ze rotten in hun jammerklacht.

De kraai houdt de vleugels lam, telt de kralen, speelt verbazing als twee zwarte strepen over elkaar vallen en er twaalf keer wordt geslagen. Weg is ze.

#gedicht #proza

De ballon neemt een aanloop en springt, klapt uit elkaar. Hij dacht te kunnen zweven.

De grond wordt onder de voet gelopen, het is alleen daar om er op ooghoogte naar te kijken, te staren en niet in te grijpen.

Elk trilling is hier en verscheurt langzaam maar zeker de niet waarneembare stilte. Tot het aanzwellen stopt en explodeert. Lucht en licht.

Het is alleen maar angst. Eentje die alles lam legt, die daar alle tijd voor neemt. Achteloos een deuntje fluit, een liedje neuriet.

Waar gaat de rit heen, vraagt de chauffeur. Ik knik zonder oogcontact te maken naar een punt in de verte. Daarheen graag en het mag een verraderlijk fortuin kosten.

Uit het raam zie ik een plastic tas in een boom die zich vult met de wind. De tak is broos en breekt af.

#gedicht #proza

Bulderend slaat de rietkraag om met aan de horizon een meeuw uit het ruim geschoten, geslagen lucht waar zerken dwarrelen dwarrelen dwarrelen

Adem neemt, adem geeft niet toe

En ik ik vlieg met gekapte mond en natte wangen het winkelwagentje met zwabberende zwenkwielen in

Stenen hagelen en het licht stopt, hier kruisen de wegen nog ouderwets gewichtloos in het donker

Flits hier sta ik onverschrokken op

#proza #gedicht

De zwerver kijkt om een hoekje. Het washok is warm en de muziek van de woning ernaast bezweert alle pijn. Hier kan hij liggen tussen vuile lakens. De diepe slaap die niet ontwaakt.

Het moederland baart zorgenkinderen. Eilanden, kolonies en onbekende ziektes. Het schip moet zinken, maar alleen, verlaten en in de verte. Uitgeroeid.

Het vaderland wordt hersenloos aanbeden bij iedere stap, de parade voor het lamgeslagen volk. Uit volle borst, hard en vals gezongen, het is de overtuiging die telt. Speeksel vliegt in het rond en tanks, raketten en bommen zullen de denkbeeldige vijand verslaan. Ooit.

Geboorteland. Waar gedachten vrij komen en gaan. Er is geen hemel zonder aarde, geen ster zonder licht. Er is niets van alles. Geen waarheid, geen geloof, geen mededogen.

De valwind blaast uiteindelijk de heilige huizen omver. Eindelijk frisse lucht. De deur gaat open en de centrifuge raast. Wat doe jij hier?

#proza #gedicht

Mijn schaduw wierp nog nooit zo lang ik loop op twee paden tegelijk, val over sloten en bomen dekken mij toe

Op links kwetteren parkieten op rechts raast een tram door de scherpe bocht in het midden prikt de zon, ik ben de roos, het stierenoog

Wat ik zie is wat ik nog niet eerder zag wat ik hoor is wat ik eerder nog niet hoorde ik voel mij als vanouds en niet voor het eerst groet ik de vriend die ik zelf nooit was

De deur gaat van het slot, het licht vlamt blinde steken de avond zakt door haar stukgelopen knieën de nacht staart uitgeput de morgen aan en de grond trilt als de schaduw schreeuwend achterover valt.

#gedicht

Onder de trap aan het einde van de gang is een kast. In de kast ligt een plank. Op de plank ligt een laag stof. In het stof staat de tijd verstreken.

Er valt licht door het bovenraam. Pupillen vernauwen. Een hartslag ligt verslagen in een hoek op de grond.

Dit hok is iemands huis, iemands thuis, iemands leven, iemands vogelvlucht; het slot hangt los, gebroken verleden.

Voeten stappen, hinken springen. Ik ben hier nooit geweest.

#proza #gedicht