In ons huis passen geen huisdieren. Toch staan er hier recht tegenover mij in de kast al drie. Ze leven niet, leefden nooit. Maar brengen wel een beetje levendigheid in ons huis. Niet dat wij hier een als doods stelletje maar wat rondhangen, no worries. Het gaat er met grote regelmaat stevig aan toe. Ook dat is liefde.
De dieren in dit huis laten ons lekker onze gang gaan. Wij zijn hun levende huisdieren. Zij hebben ons nodig om gezien te worden, dus het levert ze wat op. Schildpadden, katers, een egel, kraanvogels, uilen, vlinders en vissen. Ja, ik denk, ik noem er maar een paar, dan heb je tenminste een idee.
Ze komen uit alle windstreken. Beeldjes, knuffels, meubelversieringen en vooral kaarten. Na bijna ieder museumbezoek kopen we als aandenken een paar ansichtkaarten. Kunstkaarten. Of een poster als we echt een gekke bui hebben. En verdomd als het niet waar is, vaak staan er dieren op. We worden nu eenmaal blij van onze mede-aardbewoners. Of we raken volledig in paniek van ze, dat kan ook. Soms willen de spinnen, muizen, fruitvliegjes en zilvervisjes ook wat levenslustige aandacht. Feitelijk zijn zij ook huisdieren. Opdat wij niet vergeten.
Het is eigenlijk maar goed dat we klein behuisd zijn. Dan houd je tenminste aandacht voor je omgeving. Je gelooft het niet, maar de egel, de kat en de schildpad hier tegenover mij op de plank in de kast knikken instemmend. Mooi toch. Oké, dan ga ik nu even een verdwaalde wesp de uitgang wijzen.
Ook leuk: een workshop. Etsen. Bij kunstenaar Kees. In een atelier zoals een atelier moet zijn. Een stokoude veenboerderij, een bende hier, een rommel daar. En ikweetniethoeveel spinnen en muggen. Buiten. Gelukkig wel zeg. Hoewel, binnen zat ook genoeg potentieel in hoeken en gaten, maar buiten hingen die gasten lekker te bungelen aan hun draadjes. En maar muggen vangen. Volgevreten tevredenheid, ik zeg je.
De zon ging onder en de lucht kleurde pastel. De bomen staken zwart af, het riet daarachter contrasteerde zo nodig nog meer. Dat was al een ets op zich. Dat beeld moet ik dan ooit maar eens een volgende keer in een zinken plaatje zien te krassen. Want op het moment dat de vleermuizen ons om de oren vlogen en we niets begrepen van zoveel rust net buiten de stad – die dreigend lag te grommen en te brommen in de verte – lagen onze etsen in een bad met chemicaliën hun ding te doen.
Het is een proces met tig stappen die je ook nog eens eindeloos kunt afwisselen. Je kunt het allemaal netjes volgens de regels doen, maar alles helemaal anders en volop experimenteren is ook goed. Kees is chill en laat je lekker klooien. En tussen alle stappen in tijd zat om te ouwehoeren. Over muziek, kunst, exposeren, optredens, zelfstandig en onafhankelijk willen zijn inclusief al het gedoe, de stress, het geregel, de vloek en de zegen.
Etsen. Zinken plaat, hoeken en randen vijlen, was erop, tekening krassen, een bad, schoonmaken, verf erop, er weer afslaan, schoonmaken, laten drogen, papier nat maken, papier droog maken, ets erop leggen, doek erover, persen. En dan maar afwachten of de afdruk je blij maakt. Nou, dat deed het. (Weer een reden om nu eindelijk eens mijn beeldend werk online te gooien.)
Het was leuk, gezellig, leerzaam. Ik zal vast nog wel een (paar) keer meegaan met mijn Fraulein. Al moet ik er eerlijkheidshalve ook bij zeggen dat ik liever kort en hevig werk. Explosief, zo je wilt – een uitbarsting van energie zo direct mogelijk op papier of wat dan ook. Dat, die directheid, mis ik wel een beetje bij het etsen. Toch, het is interessant om eens anders bezig te zijn. En Kees dus. Leuke vent. Daarom joh, voor herhaling vatbaar.
Hij liep dagenlang met voeten van stro. De weg was water, golvend, soms beukend. En toch, de droogte verdorde zijn stem. Niemand hoorde hem toen hij viel, zijn tong verschrompeld tussen zijn verbrokkelde tanden; zijn handen braken in zijn val.
De zon scheen nog jaren. De regen goot gestaag. De wind verjaagde zijn laatste haren. Het glinsterend dode blad beschreven met vingerverf.
Hier is het. Hier gebeurde het. Toen. Weet je nog? Hé? Kijk mij eens aan. Lach maar door je tranen heen. Daglicht door de kier van het gordijn, zie je wel?
Laten we heel even stil zijn en luisteren. Een minuutje. Hier, bij deze oude reus met zijn wortels zo diep dat je er geen hand voor ogen ziet. Weet je, misschien moeten we gewoon gaan graven en dan maar zien waar we uitkomen.
Ik kreeg en las een boek. Op zich geen nieuws. Ik lees me suf. Hoewel, eigenlijk lees ik me scherp. Zoals dus dit boek. Er zijn van die dingen die je heus wel weet. Jij en ik, wij. Al lang, heel lang. Om die reden eet ik nu meer dan 30 jaar geen vlees. Ik at wel vis, maar dat doe ik de laatste paar jaar nog nauwelijks. Hooguit een klein stukje zalm. En dan echt een klein stukje. Ongeveer 1 bij 1 centimeter. Ook omdat ik nogal heftig reageer op uitgesproken smaken en vet. Kruiden, vis, vega-burgers en andere vleesvervangers die bol staan van specerijen en/of nogal vet zijn; dat gaat niet goed bij deze dude. Dus sinds een jaar of vier proef ik mijn eten zoals het ook echt smaakt. En, eerlijk is eerlijk, dat bevalt me heel goed. Het scheelt flink ook nog eens wat paniekaanvallen. Die paniek, los van andere situaties die mij nogal van slag kunnen maken, is elke dag latent aanwezig, dat wel. Maar – even afkloppen – zoals het was, zo is het niet meer. Bofkont ben ik.
Ik kreeg en las dus een boek. In dat boek staan dingen die ik wel wist, maar niet besefte, het drong niet door. Niet echt tenminste. Het is een gruwelijk boek. Maar ook en vooral een goed boek dat ik je van harte aanraad. Het staat niet bol van de gruwelfeiten en statistieken en andere droge kost. Het relativeert ook en geeft genoeg lucht om niet in een acute depressie te schieten. Tegen mijn principe in zou ik zelfs zeggen dat het een hoopvol boek is. Althans, dat is hoe ik het heb ervaren. En geloof mij, ook over depressies en wanhoop kan ik gezellig een boompje opzetten. Bofkont in het kwadraat.
Over welk boek heb ik het? Nou? Tromgeroffel.... Ooit aten we dieren, geschreven door antropoloog Roanne van Voorst (Uitgeverij Podium). Tijdens het lezen nam ik een besluit. Vanaf nu ga ik door het leven als veganist. Dat zal soms best een dingetje zijn. Sociaal gepruttel, je weet wel. En ik zal hier en daar een vergissing maken. Of toch een concessie doen. Gewoon omdat ik het anders ook even niet weet. Of omdat ons voedingssysteem zo leuk conservatief is. Weet ik veel. Genoeg reden voor schuldgevoel en zweethandjes, ik ken de riedel heus. Maar toch, ik ben mij bewust. Los van al het dierenleed dat zou worden bespaard als we allemaal onze lieve oogjes open zouden doen, maken we ook nog een pietsie kans om iets te doen aan de bizarre uitstoot die wij produceren met onze bizarre bio-industrie. Alleen maar omdat we in de mythe van dierlijke producten geloven. Terwijl inmiddels uit talloze onderzoeken blijkt dat we helemaal niets dierlijks nodig hebben. Behalve onszelf, diertjes als wij ook gewoon zelf zijn. En een leefbare planeet. Voor hen die na ons komen bijvoorbeeld.
‘We zijn opgegroeid in een tijd waarin het eten van dierlijke producten volkomen geaccepteerd is. Wetenschappers voorspellen echter dat dit in de nabije toekomst taboe zal worden. Over een aantal decennia zal veganistisch de norm zijn, en vragen onze kleinkinderen ons hoe we ooit met een zuiver geweten dieren hebben kunnen eten.’
In Ooit aten we dieren, dat op 13 juni verscheen bij Uitgeverij Podium, laat antropoloog Roanne van Voorst zien hoe we ons op deze toekomst kunnen voorbereiden.
Van binnen naar buiten. De regen verdampte want de zon verscheen. We liepen kilo's vol meters door het bos, langs bruisende waterige vallen en een riviertje als gids. We keken uit over het dal en de koeien keken ons meewarig eindeloos kauwend na. De eekhoorn zocht het hogerop. De herten vonden de afstand wel best en de fel oranje slakken hielden zich kalm. De kikker, de mestkevers, het wespenhol en de boomklever lieten ons in de waan van alles en nog wat te weten. En de halfdode slang verzuchtte hoe het door mensenogen werd bekeken voordat de rust in vrede kwam.
De broodjes waren altijd vers, de spelletjes soms oud soms nieuw en steevast leuk. We deelden, we pasten, we speelden, we kraakten, we zaten met pijn in de kaken lachend aan stoelen geplakt.
We trokken Bouillon, liepen nog maar een rondje, pakten terras. Bakten pannenkoeken, maakten het bont in de middag. Het is gewoon hoe het altijd was.
Het huis kromp van de spullen, groeide van mysterieus plezier. En een dag je hoofd niet gestoten, was een dag zonder sier. Het piepte en kraakte, het lekte en stonk door kieren en gaten, de vloer deed dienst als plafond.
We waren met elf, we geven een zeven net als de dagen hier. Binnen was donker, buiten was licht en groen. We zullen vast volgend jaar weer denken aan hoe was het toen?
Voor nu is het weer mooi geweest, veilig naar thuis. We zien elkaar gauw, de rest, voor zolang het duurt, is ruis.
Versteend staar ik naar de muur met grof ingemetselde keien. Als een konijn gevangen in de koplampen van de auto op volle snelheid. Haarspeldbochten laten de banden gieren, de lucht van verbrand rubber en een flits van steekvlamverlichte draaimolens op een foute dorpskermis. Oorverscheurende salvo's schaterlach met tanden als zaagbladen van de afgebladderde nog net niet failliete doe-het-zelver op de hoek.
Verwarring is een staat van beleg. Onwrikbaar ingemetseld in een sociale houdbaarheidsgreep. De datum is verlopen, de make-up biggelt over de richels van het uitgewoonde gezicht en druppelt zwarte gaten op het zonverrookte terras. Ik hef nog maar eens aan, lal mijn laatste lied. Ten onder, ten onder, voorwaar ten onder en kijk met volgelopen ogen voor wie niet ziet.
Blij als een varkentje dat gewassen en wel een leven lang mag rollen door de modder en knorrend van plezier in vrijheid mag sterven. Dat is zo ongeveer de staat van zijn op dit moment. Relatief manisch. Maar mag ik? Zojuist twee fantastische muziekjes rijker: een box met 5 cd's van The House of Love toen ze nog fenomenaal waren. Ja, precies, in hun begintijd. Creation Records, 1987. Ik was 17 en hun muziek paste eigenlijk helemaal niet in mijn brein dat bol stond van Joy Division en The Cure. Oké, ik chargeer. Er was heus meer, maar allesbehalve melodieus. Ik ze live op Parkpop. Geweldig. En daarna nog een paar keer. Magie. Diezelfde magie was er niet meer toen ik ze een jaar of twee terug nog eens zag in Paradiso. Dat had ik ook niet verwacht. Het was puur jeugdsentiment. Op zich ook best betoverend, maar dan heel anders. En nu dus weer. Terwijl ik dit schrijf moet ik af en toe stoppen om lekker mee te brullen met de tekst of gewoon een mondelinge gitaarsolo. Pracht. En die opnames zijn zo godvergeten brak. Prachtiger in het kwadraat.
Er is nog een ander schijfje waar ik sinds vandaag eindelijk het origineel van bezit en blij mee ben. Het eerste album van Editors. Die mag straks op. Wordt ook weer brullen. Aan dat album bewaar ik weer heel andere herinneringen. 2005. Ik was 35, dus ruim twee keer zo oud. Vrijwillig opgenomen omdat ik het anders zeer waarschijnlijk niet zou navertellen. Via de post kreeg ik in de eerste week van mijn toenmalige collega Rieke, een schat, dat album toegestuurd. Een kopietje. Destijds was er eigenlijk geen tijd en ruimte om fijn wat muziek voor jezelf op te zetten in een huis met nog meer bijna-sterfgevallen. Toch was er tijdens die drie maanden een keer een weekend dat ik niet naar huis mocht. U leest het goed, ik kreeg geen toestemming om kind en vrouw te zien. Therapie is een dingetje hoor. Hoe dan ook, ik over de zeik want ik wilde naar huis, maar nee, ik moest toch dat weekend daar blijven.
Mijn verdriet ging over in woede, de woede ging weer over in verdriet en dat ging langzaam over in berusting. Iedereen vertrok, ik bleef achter en zat daar in de huiskamer. Alleen in een groot huis. En met een goedgekeurd activiteitenplan, dat wel. Met af en toe een controletelefoontje van de weekenddienst. Of ik het nog wel deed. Sympathiek.
Eerlijk gezegd was het een topweekend. Ja, wel even in de juiste context plaatsen, maar echt: ik heb gitaar en piano gespeeld. Geschreven, tekeningen gemaakt. Gefietst en gewandeld. Boodschappen gedaan. Gehuild, geschreeuwd en urenlang stil voor me uit zitten staren. En ik was niet eens bang alleen in het donker. Misschien de enige keer ooit in mijn leven. Behalve dat alles draaide ik die cd van Editors. Hard! Kei- en keihard. Een vrijstaand huis op een beschermd terrein, dus waarom niet?
Daarom dus. Muziek is als geur. Het roept herinneringen op. Mooi en intens. Of allebei, wat je wilt.
het veelkoppig monster met gifgroene ogen asgrauwe tong gele tanden en bloedend tandvlees de klauwen graaien met lange botte maar scherpe nagels mijn lijf aan stukken
dus daar gaan we
ik voel vaak mijn tenen niet meer in mijn linkerbeen voelt het dag in dag uit alsof er aan een dunne gloeiende draad wordt getrokken vanuit mijn nek vlammen striemende steken door mijn hoofd mijn bovenrug mijn schouderbladen verdragen weinig tot niets mijn vingers tintelen mijn ellebogen en polsen zeuren weeïg mijn knieën draaien niet altijd mee wanneer ik wil in plaats daarvan de zoveelste knak krak kraakbeen knikkebeen de meniscus is gek op z’n kartelrandjes
mijn stuitbeen is regelmatig ontstoken of op z’n minst dreinend mijn heiligbeen zit vast aan de onderste wervel een hernia die dan weer wel dan weer niet zichtbaar is op MRI nummer zoveel de zenuwschade en -pijn is desalniettemin blijvend
ik kan niet tegen praten over bloed braken plastische biologie in het algemeen naalden prikken me zomaar buiten bewustzijn van douchen fleece en wol krijg ik jeuk in de winter jeukt mijn hele lichaam overal ik kras mezelf dagelijks en vooral ’s nachts open slapen doe ik toch al slecht nare dromen des te beter dat is nooit anders geweest maar wel veranderlijk met als bonus een slaapverlamming op de meest uiteenlopende tijden paranoïde grijnst de nacht mij toe
ik adem te hoog heb het altijd benauwd hyperventilatie is mijn tweede derde of vierde naam soms ben ik de tel letterlijk kwijt eenvoudigweg gesteld ben ik een dag of wat per maand kneiterdepressief in de winter net een beetje vaker de andere dagen komt en gaat het als eb en vloed de stemming wisselt zodanig dat er geen peiling wijzer van wordt uitbarstingen van woede en frustratie om de meest nietige dingen meestal als druppel van het veel te grote en niet te bevatten geheel
ik mijd drukte menigtes en massa’s kan niet tegen harde scherpe geluiden fel licht en bijna alle geurtjes en allerhande geuren ze maken mij misselijk ik krijg er hoofdpijn van of ik krijg het nog benauwder
om mezelf de illusie van controle te gunnen ben ik dwangmatig en houd mijn directe omgeving nauwgezet schoon of in ieder geval opgeruimd en alles heeft een vaste plek bezoek zie ik met angst en beven tegemoet de deurbel telefoon en gesprekken met vreemden of zelfs bekenden bezorgen mij kletsnatte oksels en prikkende zweetaanvallen sociale fobie contra sociaal wenselijk en een flinke dosis sociale vaardigheden zonder te weten waar mijn grenzen eigenlijk zijn waar de ander begint en ik eindig of andersom en dus helemaal gesloopt na verloop van tijd
ik nies regelmatig een hele dag lang dan ben ik gesloopt ter afwisseling nies ik elke dag een beetje of gewoon hele delen van de dag hoe lief ook maar huisdieren aai ik bij voorkeur niet zo voorkom ik nog meer jeuk en niesbuien vochtige en stoffige ruimtes zijn een hel
tegen vet eten kan ik niet de wc is dan mijn vriend kaas melk en dat soort dierlijk gedoe kan ik ook beter niet aan beginnen van pijnboompitten krijg ik een week lang een nare smaak in mijn mond op suiker koffie koolzuur zout en gekruid eten ga ik keihard om kort daarna net zo hard moe en nog somberder neer te storten – en toch ben ik gek op chocolade en koekjes (waar ik altijd spijt van heb ik kan geen maat houden alles moet in een keer op: gestoord met eten had ik dwangneurose, allerhande wisselende tics en voedselgerelateerde paniekaanvallen al genoemd?)
mijn ogen liggen diep ik wrijf er vaak in omdat ze zo enorm branden en prikken ik kan niet stilzitten ik bijt op mijn nagels trommel en tik op alles ben altijd onrustig
voor alles ben ik al tienduizend keer naar allerlei doktoren specialisten geweest de medische mallemolen zowel regulier als alternatief ken ik door en door daar ben ik dus wel klaar mee ik heb het helemaal gehad net als alles wat ggz en psychisch aantoonbaar ongemak geeft in groepsgesprekken en overig gerelateerd gebeuren
los hiervan nog wat andere vage klachten die op hun tijd de kop opsteken verder wil en mag ik niet mopperen of klagen hoewel financieel en maatschappelijk heb ik geen enkel perspectief en ondanks talloze cursussen opleidingen studies een eindeloze cv vol werkervaring (ik heb mezelf letterlijk kapotgewerkt opgeven is tenslotte falen was en is geen optie dan maar naar de kloten) rommel ik wat in de marge schraap mijn miezerige opdrachtjes bij elkaar en zo druppelt een uitermate bescheiden inkomen binnen
en al voel ik mij een bak vol bijtend schuldgevoel en waardeloos mens in het algemeen ik ben er nog steeds en werp mijn schaduw vooralsnog met liefde over de lengte van jaren heen
angst is mijn beste vriend